Wat is Dharma? 

'Sanátan' betekent eeuwig, datgene wat bestond, is en altijd zal bestaan.
'Dharma' komt van 'dhri'.
Van de zelfde stam komt het Hollands woord 'dragen', ons voor het vallen behoedt.
De kracht, die ons op de weg van vooruitgang houdt, ons daarop voorthelpt en
ons tenslotte brengt tot God. Dharma vernietigt in ons alles wat ons van God afhoudt;
daardoor kunnen wij ons met God verenigen. Deze eigenschappen is altijd in Dharma aanwezig
geweest en zal er altijd in zijn. God, die ons schiep met onze onvolkomenheden langzamerhand afleggen. We worden langzamerhand beter, volmaakter.
De wet van Dharma is in India altijd bekend geweest. In Europa leert men haar in de laatste tijd kennen en spreekt men van evolutie of geleidelijke ontwikkeling tot het hogere.
In ons geval zouden we kunnen spreken van geestelijke evolutie. 'Sanatán' betekent eeuwig.

Sanatán Dharma is dus de eeuwige wet van geestelijke evolutie. Dat er evolutie bestaat, weet een ieder; de wetenschap leert ons, dat eenvoudige diersoorten zich langzamerhand tot hogere soorten ontwikkelen. Wij zien uit het dagelijks leven, dat de mens geboren wordt als een klein kind en langzamerhand groter en sterker wordt, leert denken
en onderzoeken en kan uitgroeien tot een beroemd geleerde. Ook bij planten en dieren zijn wij soortgelijke verschijnselen. Deze eenvoudige waarheid, die elk mens zelf kan waarnemen en die door wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd, vormt het fundament van de Sanátan Dharma. Als wij ons tot de mens beperken, kunnen wij als basisgedachte van de Sanátan Dharma aangeven: “Elk mens wordt langzamerhand volmaakter tot hij Brahma, de Oer geest, benadert”. Dit proces voltrekt zich in de loop van eeuwen.

Maar deze ontwikkeling is niet anders bij de één noch bij de ontwikkeling volgens vaste onvoorwaardelijke wetten plaatsvindt.
Het geheel van de wetten, dat onze ontwikkeling beheerst is Sanátan Dharma. Deze leert ons hoe wij het best kunnen vooruitkomen op de weg die wij moeten afleggen.
De Sanátan Dharma is dus geen sekte of godsdienstige, zoals men dit woord gebruikt. Neen de Sanátan Dharma is de oorsprong, de bron van alle sekten of godsdiensten.

DE ZES FILOSOFISCHE SCHOLEN
Hieronder zal ingegaan worden op de zes vaidik darshans oftewel de zes denkscholen zoals in de Vedás beschreven. Wat betekent filosofie? In het Grieks betekent ‘filo’ liefde en ‘sofie’ wijsheid. In het Hindi is filosofie tattva-gyán en het boek over filosofie heet darshan-shástra. Darshan betekent geziene waarheid. Rishi’s (zieners) hebben deze waarheid aanschouwd en vastgelegd. Het doel van deze waarheid is geluk in dit leven en ook in het hiernamaals m.a.w. ieder mens wil moksha of mukti (verlossing) bereiken en geen verdriet lijden, maar een gelukkig en vredig leven leiden.
Er zijn 2 soorten van kennis middels welke men de waarheid kan weten, namelijk; zintuiglijke – en intuïtieve kennis.

Het doel van de bovengenoemde filosofie is, om middels het vergaren van kennis, maatschappelijke problemen op te lossen. Er zijn zes filosofische scholen waarop het Hindoeïsme is gebaseerd.

Nyáya-darshan
De Nyáya-darshan is gesticht door mahárishi Gautama. Deze school denkt sterk logisch en handelt over de redeneerkunst. Wat men niet met logica kan verklaren, doet men met metafysica. Alles (het heelal) is op gebouwd uit moleculen, atomen en steeds kleinere deeltjes en middels bewijzen probeert men dit te verklaren. De weg van moksha of mukti kan gevonden worden door helder en logisch denken. Volgens de Nyáya-darshan is mukti geen geluk, maar verlossing van leed. De mana (geest) komt eerst in contact met de átmá (de ziel) en daarna met de zintuigen. Vervolgens komen de zintuigen in contact met de voorwerpen. De átmá neemt kennis van alles via de mana en de zintuigen op.

Voorbeelden:
Mana-átmá: waar er rook is moet er vuur zijn; men ziet ergens rook
en weet dat daar vuur moet zijn.

Bestaan van God: een kruik wordt door een pottenbakker gemaakt;
zo is het heelal door God geschapen.

Vaisheshika-darshan
De Vaisheshika-darshan is gesticht door mahárishi Kanáda, die handelt Over de theorie van de materie en de inrichtingen van het heelal. Deze School leert ons, dat de wereld ui 9 elementen is opgebouwd. Deze zijn: aarde, water, vuur, lucht, ether, tijd, windrichtingen, átmá en mana. Deze school gelooft ook, dat de natuur is opgebouwd uit cellen. Er zijn twee soorten van Dharma, die men volgens het Vaisheshika stelsel moet naleven:

ÁshramDharma, waarbij men leeft volgens de vier levensfasen;
NishkámDharma, waarbij men niet verlangt naar de vruchten van zijn
goede daden en daardoor mukti bereikt. Deze filosofie accepteert het bestaan van God, maar legt de nadruk op de Karma-leer.

Sánkhya-darshan
De Sánkhya-darshan is gesticht door Kapila muni en handelt over prakriti (natuur) en purusha of jiva (ziel). Sánkhya betekent de som, het totaal of het getal. Over de aard van de verhouding tussen geest en lichaam wordt door de verschillende scholen verschillend gedacht. Het heelal is opgebouwd uit 25 elementen. De meest gangbare mening is de door de Sánkhya-school ontwikkelde opvatting, namelijk dat het lichaam uit 24 tattvas (substanties) bestaat, waarin de átmá zich bevindt.

Deze tattvas zijn:
Mahat (kosmische denkstof), hieruit komen ahankára (het ego) en
Mana (het denken) voort. Daarna splitst mahat zich in budhí (rede/intellect) en citta (het proces van bewustwording).

De vijf jñán-indriyas (kenvermogens)
De vijf tanmátras (zintuigen)
De vijf mahábhutas (oerelementen).

De laatste vijftien tattvas hebben een bepaalde relatie met elkaar en wel
als volgt:
kenvermogen zintuigen oerelementen
gezicht - ogen - vuur
gehoor - oren - ether
reuk - neus - aarde
gevoel - huid - wind
smaak - tong - water

Een voorbeeld om dit duidelijk te maken: pas als iemand water drinkt, zal hij door middel van zijn tong de smaak gewaarworden.

De vijf Karma-indriyas (handelingsorganen) zijn: het spraak-, het
voortplantings- en het spijsverteringsorgaan, de handen en de voeten. In totaal zijn dit de 24 ‘ouderlingen’. De átmá, het levensbeginsel, of Purusha, het goddelijk atoom, zetelt als de vijfentwintigste op de kroon van het geheel, waarvan het de stuwende krachtbron is. Als het lichaam op een gegeven moment niet meer functioneert voor het uitwerken van de Karma, verlaat de átmá dit lichaam. We spreken dan van de dood. Over het algemeen zal na iedere dood een her belichaming volgen. Hoe en waar dit plaats vindt, hangt van de Karma van het individu af. Als uiteindelijk mukti is bereikt, zal er geen her belichaming (wedergeboorte)
Meer plaatsvinden. Volgens deze filosofie betekent mukti dat de ziel geen contact heeft met de natuur.

Het universum is een combinatie van Purusha en Prakriti. Purusha is Brahman, Ishvara en Átman. Prakriti is natuur, stof.

Brahman is de uiteindelijke realtiteit. De waarheid.
Purusha is het kosmische bewustzijn (onvoorwaardelijk, absoluut).
Prakriti is de primordiale energie (onbewust, onvoorwaardelijk, absoluut).
Mahat is de kosmische intelligentie (afhankelijk).
Ahankára is het universele ego (zelfbewustzijn).
Mana is de geest.

De kosmische krachten van prakriti zijn sato-, rajo- en tamoguna. Satoguna is het licht, de intelligentie, het goede. Rajoguna is de actieve toestand van de mana. Tamoguna is traagheid, toorn.

Yoga-darshan
De Yoga-darshan is uiteengezet in de yoga-sutra van mahárishi Patanjali. De Yoga-darshan handelt over de bewuste onderwerping van het lichaam aan de geest. Door oefeningen kan de geest zich onthechten van het lichaam en zich verenigen met het kosmische. De Yoga-darshan geeft daarvoor acht stappen aan.

Mímámsá-darshan
De Mímámsá-darshan is gesticht door rishi Jainmini. Mímámsá handelt over de uitoefening en de methoden der rituelen Karma-kánda) en is gebaseerd op de vedische literatuur.

Vedánta-darshan
De Vedánra-darshan is gesticht door mahárishi Bádaráyana en handelt over filosofische en theologische denkbeelden van de Upanishads. De essentie van alle Upanishads is, dat alle zielen (átman) gelijk zijn. De Vedánta-filosofie is ontstaan in de periode van de Upanishads. Zij staat ook beschreven in het boek ‘Brahma-sútra’ van Bádaráyana. Shrí Shankarácharya is de grondlegger van de advaita – filosofie. Hij zegt, dat de átmá een sprankje is van de Parmátmá (de opperziel).

Voorbeelden over de Vedánta-darshan:
Pání hí ten bhayá him, him hai gayá biláy;
jo kucha thá soí bhayá, ab kucha kahá na jáy.

Jal men kumbha men jal hai, báhar bhítar pání;
phútá kumbha jal jalahin samáná, yah tata bújhai giyání.

Betekenis:
Water in vaste vorm is ijs; als het ijs smelt, wordt het weer water.
Als een kruik met water, die in water geplaatst wordt, barst, dan
vermengt het water van de kruik zich met het overige water.

Alles wat men ziet, is máyá (vergankelijk).
De Vedánta legt de nadruk op drie dingen:

Parmárthik sattá (het hiernamaals);
Pratibhásik sattá (de illusie, oftewel het droombeeld);
Vyavhárik sattá (tast-en zichtbaar).
De Vedánta erkent zowel in filosofische als in religieus opzicht het recht van een ieder om op zijn eigen wijze de waarheid te benaderen en te beleven. Dit in overeenstemming met zijn eigen behoeften om zich God voor te stellen en Hem te vereren, mits men maar oprecht is in zijn geloof (shradhá) en in zijn devotie of liefdevolle toewijding (bhakti).

 

 

 


 


 


 


 

 

Pandit Ji Jigyasa
Vragen is ons goedrecht